Marjan Berk: Amsterdam geeft je verschrikkelijk veel voeding
‘Als ik aan Noord-Holland denk, gaan mijn gedachten als eerste terug naar St. Maartenszee, waar ik eind jaren vijftig met mijn twee kinderen op vakantie was. We hadden een zomerhuisje gehuurd met zo’n houten toilet buiten. Het was zo fantastisch daar. Het strand, de stilte, de eenvoud, ik kijk er nog steeds met veel plezier op terug. Jaren later ging mijn oudste zoon een tijd lang elke zomer met zijn gezin naar Schoorl. De verjaardag van een van zijn kinderen werd daar geweldig gevierd. Mijn schoondochter huurde een kar met een paard ervoor. Of we gingen met een picknickmand vol op de fiets naar het strand. Het was er paradijselijk. Zeker omdat je er niet met de auto kon komen.
Ik geef graag lezingen in Noord-Holland. Het publiek van Landsmeer tot Den Helder is buitengewoon prettig. Noord-Hollanders zijn nuchtere, slimme mensen. Vroeger al, in Het Gulden Vlies in Alkmaar, waar ik bij Wim Kan ben begonnen, was het altijd een groot genoegen om daar op te treden. De eerste keer dat ik in Amsterdam kwam kan ik me nog heel goed herinneren. Het was 1942 en ik mocht met mijn moeder en haar vriend een dagje mee. Ik was tien. Ik kwam het Centraal Station uit en de overweldigende aanblik van de stad maakte dat ik dacht: als ik groot ben, ga ik hier naartoe. Dat heb ik gedaan.
Ik houd van het landschap van Overijssel, waar ik tegenwoordig woon. Ik kan er goed schrijven. Maar Amsterdam geeft je verschrikkelijk veel voeding. Dat heb ik als schrijver nodig. Daarom heb ik een kantoor in Amsterdam. Ik schrijf twee columns per week, voor het AD en de PZC. Ook publiceer ik in de Margriet, Gaykrant en Buitenleven. In april komt mijn nieuwe boek ‘Het schreien niet verleerd’ uit. Voor dit alles heb ik voeding nodig en die haal ik maar voor de helft uit de waterhoentjes in de sloot bij mijn huis.’
